LES 12


terug


De voornaamwoorden als achtervoegsels

De bezittelijke voornaamwoorden

Er is eerder gesproken over de voronaamwoorden, zoals die zelfstandig kunnen voorkomen. Naast dit gebruik bestaat in het Hebreeuws de mogelijkheid om verkorte vormen van de voornaamwoorden achter zelfstandige naamwoorden en werkwoorden te voegen. In het eerste geval duidt het persoonlijke voornaamwoord de bezitter aan van datgene dat genoemd is met het zelfstandige naamwoord, terwijl in het tweede geval het lijdend voorwerp van een werkwoord bedoeld wordt. We geven eerst de vormen zoals die voorkomen bij een onveranderlijk woord, omdat langere woorden vaak, wanneer een persoonljik voornaamwoord wordt achtergevoegd, verandering ondergaan door de verschuiving van de klemtoon, die dan weer verkorting van klinkers met zich mee kan brengen. We komen daar later op terug. Als voorbeeld gebruiken we het woord סוּס, "paard," zowel in het enkelvoud als het meervoud, mannelijk en vrouwelijk.

paard סוּס
mannelijk
vrouwelijk
enkelvoud
meervoud
enkelvoud
meervoud
paard
paarden
merrie
merries
status absolutus
סוּס
סוּסִים
סוּסָה
סוּסוֹת
status constructus
סוּס
סוּסֵי
סוּסַת
סוּסוֹת
1 enkelvoud
סוּסִי
סוּסַי
סוּסָתִי
סוּסוֹתַי
sūsī
sūsay
sūsātī
sūsōtay
2 mnl. enkelvoud
סוּסְךָ
סוּסֶיךָ
סוּסָתְךָ
סוּסוֹתֶיךָ
sūsəḵā
sūsę̄ḵa
sūsātəḵā
sūsōtę̄ḵā
2 vrwl. enkelvoud
סוּסֵךְ
סוּסַיִךְ
סוּסָתֵךְ
סוּסוֹתַיִךְ
sūseḵ
sūsayiḵ
sūsāteḵ
sūsōtayiḵ
3 mnl. enkelvoud
סוּסוֹ
סוּסָיו
סוּסָתוֹ
סוּסוֹתָיו
sūsō
sūsāw
sūsātō
sūsōtāw
3 vrwl. enkelvoud
סוּסָהּ
סוסֶיהָ
סוּסָתָהּ
סוּסוֹתֶיהָ
sūsāh
sūsę̄hā
sūsātāh
sūsōtę̄hā
1 meervoud
סוּסֵנוּ
סוּסֵינוּ
סוּסָתֵנוּ
סוּסוֹתֵינוּ
sūsenū
sūsēnū
sūsātenū
sūsōtēnū
2 mnl. meervoud
סוּסְכֶם
סוּסֵיכֶם
סוּסַתְכֶם
סוּסוֹתֵיכֶם
sūsḵęm
sūsēḵęm
sūsatḵęm
sūsōtēḵęm
2 vrwl. meervoud
סוּסְכֶן
סוּסֵיכֶן
סוּסַתְכֶן
סוּסוֹתֵיכֶן
sūsḵęn
sūsēḵęn
sūsatḵęn
sūsōtēḵęn
3 mnl. meervoud
סוּסָם
סוּסֵיהֶם
סוּסָתָם
סוּסוֹתֵיהֶם,
סוּסוֹתָם
sūsām
sūsēhęm
sūsātām
sūsōtēhęm
3 vrwl. meervoud
סוּסָן
סוּסֵיהֶן
סוּסָתָן
סוּסוֹתֵיהֶן,
סוּסוֹתָן
sūsān
sūsēhęn
sūsātān
sūsōtēhęn


De voornaamwoorden als lijdend voorwerp

De voornaamwoorden die als lijdend voorwerp achter werkwoordsvormen gevoegd worden zijn in principe in vorm gelijk aan de achtervoegsels bij het zelfstandige naamwoord, met één uitzondering: voor de eerste persoon enkelvoud is het achtergevoegde element niet  - ִי maar -נִי.
De voornaamwoordelijke elementen vormen dus niet zozeer een probleem, wat echter wel een probleem is, is de vorm van het werkwoord wanneer er een persoonselement achtergevoegd wordt. Wanneer de werkwoordsvorm op een klinker uitgaat wordt over het algemeen het achtervoegsel zonder problemen toegevoegd, maar gaat het werkwoord op een medeklinker uit dan worden er verschillende klinkers als verbinding gebezigd, behalve waar het voornaamwoord zelf uit een klinker bestaat. Vaak is er sprake van bewaard gebleven oude klinkers, die elders afgevallen zijn. Daardoor is er geen sprake van een eenvoudig te omschrijven klanksysteem.
Afgezien van de verbindingsklanken wordt een ander probleem gevormd door de verschuiving van de klemtoon in de nieuwe eenheid gevormd door werkwoordsvorm met achtergevoegd persoonselement, hetgeen weer aanleiding is voor de verkorting van klinkers in het begin van het woord. Het voert te ver om volledige overzichten te geven en we beperken ons daarom tot wat algemene opmerkingen en losse voorbeelden.

De voornaamwoorden als lijdend voorwerp bij de voltooide tijd

Waar een bindklinker nodig is, is dit vaak een -a-. In een paar vormen komen oude uitgangen terug. In de derde persoon vrouwelijk vinden we een -t- voor de achtergevoegde elementen. Dit is vergelijkbaar met het verschil tussen status absolutus en status constructus bij vrouwelijke woorden, b.v. סוּסַת סוּסָה, waar dan ook de vorm met -t- gebruikt wordt voor de persoonsaanduidingen. Voorbeeld:

גָּנְבָהzij heeft gestolen נְּנָבָתַםzij heeft hen gestolen

Zo is de oorspronkelijke uitgang -ti van de tweede persoon vrouwelijk enkelvoud voor de persoonselementen vaak bewaard:

יָלַדְתְּjij hebt voortgebracht יְלִדְתִּנִיjij hebt mij voortgebracht

Bij de derde persoon enkelvoud vinden we soms een bindklinker -a-, soms bij bepaalde achtervoegsels die met een klinker beginnen geen extra bindklinker.

אָהַב\אָהֵבhij bemint אֲהֵבוֹhij bemint hem
לָקַחhij pakte לְקָחַניhij pakte mij


De voornaamwoorden als lijdend voorwerp bij de onvoltooide tijd

In de onvoltooide tijd is, waar nodig, vaak een -e- als bindklinker aan te treffen. Verder is het in deze vormen heel gebruikelijk dat de basisvorm voor het achtervoegsel verlengt wordt met een element -an-, -ęn-. Deze -n- levert met een volgende -h-, bij voorbeeld van het achtervoegsel -hęm, of -hū, assimilatie op tot -nn-.

יִדְרֹשׁhij zoekt + -an- + -hū יִדְרְשֶׁנּוּhij zoekt het
יִכְתֹּבhij zal schrijven יִכְתְּבֵםhij zal hen opschrijven