LES 4


terug


Naamwoorden

In het Hebreeuws zijn er alleen mannelijke en vrouwelijke woorden; de categorie "onzijdig" bestaat niet. Manneljke woorden hebben gewoonlijk geen speciale uitgang, terwijl vrouwelijke woorden gekenmerkt worden door de uitgang -ā of -t (-ָ ה of ). De meervoudsuitgang voor het mannelijk is -īm (-ִים) en voor het vrouwelijk -ōt (-וֹת).
Naast de vormen voor het meervoud hebben de naamwoorden in veel gevallen een aparte vorm, die gebruikt wordt in de verbinding die in het Nederlands meest met behulp van het voorzetsel "van" dient te worden weergegeven. Let er op dat de afwijkende vorm in het Hebreeuws dus bij het hoofdwoord van de verbinding te vinden is en niet bij het afhankelijke woord. De gewone vorm noemt men wel de status absolutus van een woord (d.i. het woord staat op zichzelf), de vorm in de verbinding met een volgend woord noemt status constructus (d.i. het woord is geconstrueerd, verbonden, met een ander woord. Deze verbinding wordt in het Hebreeuws smichoet genoemd, hetgeen "aanleuning" betekent, een heldere term, die laat zien dat de twee verbonden woorden tegen elkaar aanleunen en daardoor een accenteenheid vormen. Het verlies van het hoofdaccent is ook de reden van de klinkerwijziging, er is dus op dit punt geen sprake van een afwijkende verbuiging, behalve bij het mannelijk meervoud.

Voorbeeld onveranderlijk woord, סוּס, paard, סוּסָה, merrie:

mannelijk enkelvoud
mannelijk meervoud
status absolutusstatus constructusstatus absolutusstatus constructus
סוּססוּססוּסִיםסוּסֵי
vrouwelijk enkelvoud
vrouwelijk meervoud
status absolutusstatus constructusstatus absolutusstatus constructus
סוּסָהסוּסַתסוּסוֹתסוּסוֹת


Voorbeeld veranderlijk woord, גָּדוֹל, groot:

mannelijk enkelvoud
mannelijk meervoud
status absolutusstatus constructusstatus absolutusstatus constructus
גָּדוֹלגְּדוֹלגְּדוֹלִיםגְּדוֹלֵי
vrouwelijk enkelvoud
vrouwelijk meervoud
status absolutusstatus constructusstatus absolutusstatus constructus
גְּדוֹלָהגְּדוֹלַתגְּדוֹלוֹתגְּדוֹלוֹת


Enkele uitzonderingen

Sommige vrouwelijke woorden vertonen geen vrouwelijke uitgang, als bij voorbeeld אֵם, moeder. Wanneer het gaat om vrouwelijke personen levert dit geen problemen op. Anders kan het blijken uit de vorm van een erbij behorend bijvoeglijk naamwoord, omdat bijvoeglijke naamwoorden zich in vorm aanpassen aan het woord waar ze bij behoren. Enkele woordgroepen vertonen gezamenlijk dit verschijnsel, zoals bij voorbeeld namen van steden en landen, die, wat voor vorm ze ook hebben, bijna altijd vrouwelijk zijn.
Aan de andere kant zijn er ook enkele woorden die vrouwelijk lijken te zijn, maar toch mannelijk geconstrueerd worden.
Beide situaties leveren in de praktijk van het vertalen geen problemen op.

Bijvoeglijke naamwoorden

Wanneer een zelfstandig naamwoord wordt uitgebreid met een bijvoeglijk naamwoord, komt dit laatste achteraan. Het richt zich in vorm naar het hoofdwoord, dus de bijvoegelijke naamwoorden hebben vormen voor het mannelijk en vrouwelijk, enkelvoud en meervoud. Ook naar bepaaldheid richt zich het bijvoeglijk naamwoord naar het hoofdwoord, anders gezegd, het lidwoord wordt herhaald: הָעִיר הַגְּדוֹלָה, woord voor woord: de stad de grote = de grote stad. Men lette erop dat dit gebruik van het lidwoord van belang is bij het vertalen, want הָעִיר גְּדוֹלָה is ook goed Hebreeuws, het betekent echter iets anders, namelijk: de stad is groot.

Persoonlijke Voornaamwoord

De persoonlijke voornaamwoorden komen in verschillende vormen voor in het Hebreeuws. Zelfstandig gebruikt hebben ze de volgende vormen:

enkelvoud
meervoud
1 c.אֲנִי of אָנוֹכִיאֲנַחְנוּ
2 m.אַתָּהאַתֶּם
2 f.אַתְּאַתֶּן of אַתֵּנָה
3 m.הוּאהֵם of הֵמָּה
3 f.הִיאהֵן of הֵנָּה