LES 5


terug


Werkwoorden

Het Hebreeuwse werkwoord heeft minder mogelijkheden om het begrip "tijd" uit te drukken dan het Nederlands. Constructies als "ik loop" en "ik liep" naast "ik heb gelopen", "ik had gelopen", "ik zal lopen", "ik zal gelopen hebben" kent het Hebreeuws niet. In oorsprong kent het Hebreeuws alleen onderscheid tussen een "voltooide handeling" en een "onvoltooide handeling". Naar verhouding worden de vormen van de "voltooide handeling" vaker voor het verleden gebruikt, het geen min of meer vanzelf spreekt. Deze regel gaat echter ook heel vaak niet op.
In de verbogen werkwoordsvormen in het Hebreeuws zit het onderwerp al opgesloten, een persoonlijk voornaamwoord is dus niet nodig. Wordt het toch gebruikt dan duidt dit op nadruk.

De voltooide tijd

De verbuiging van de voltooide tijd wordt gevormd met achtervoegsels, waarbij ook het klinkerpatroon kan wisselen. Vast zijn en blijven de drie medeklinkers, die het uitgangspunt vormen voor het werkwoord. We noemen deze groep medeklinkers de "wortel". De verbuiging gaat als volgt (u ziet eerst het klankpatroon, dan de toepassing op het werkwoord מלך, "heersen, koning zijn" en בצר "omsluiten".
Let er op dat de verbuiging in hebreeuwse grammatica's over het algemeen van de derde naar de eerste persoon verloopt en niet, zoals wij gewend zijn van de eerste naar de derde persoon. Dit omdat de derde persoon enkelvoud van de voltooide vorm bij de meeste werkwoorden de meest eenvoudige vorm is.

persoon
patroon
lettergrepen
מלך
בצר
3 mannelijk enk.
-ā-a-
mā/laḵ
מָלַךְ
בָּצַר
3 vrouwelijk enk.
-ā-ə-ā
mā/lə/ḵā
מָלְכָה
בָּצְרָה
2 mannelijk enk.
-ā-a-tā
mā/laḵ/tā
מָ́לַכְתָּ
בָּ́צַרְתָּ
2 vrouwelijk enk.
-ā-a-t
mā/laḵt
מָלַכְתְּ
בָּצַרְתְּ
1 enk. (m. + v.)
-ā-a-tī
mā/laḵ/tī
מָ́לַכְתִּי
בָּ́צַרְתִּי
3 mv. (m. +v.)
-ā-ə-ū
mā/lə/ḵū
מָלְכוּ
בָּצְרוּ
2 mannelijk mv.
-ə-a-tęm
mə/laḵ/tęm
מְלַכְתֶּם
בְּצַרְתֶּם
2 vrouwelijk mv.
-ə-a-tęn
mə/laḵ/tęn
מְלַכְתֶּן
בְּצַרְתֶּן
1 mv. (m. +v.)
-ā-a-nū
mā/laḵ/nū
מָ́לַכְנוּ
בָּ́צַרְנוּ

Zoals eerder opgemerkt rust de klemtoon meest op de laatste lettergreep van een woord. In het bovenstaande is de beklemtoonde lettergreep vet aangegeven, en men ziet dat in het enkelvoud de 2e persoon mannelijk en de 1e persoon, en in het meervoud eveneens de 1e persoon zich niet aan deze regel houden en op de voorlaatste lettergreep de klemtoon dragen.